103 mins read

10 heerlijk spooky Nederlandse griezelverhalen voor Halloween

Oip 4293609485

Nederlandse volksverhalen. Vergeten avonturen uit vervlogen tijden die wederom tot leven komen in de verhalen die de Nederlandse historie rijk is. Nu ik onze Halloween avond aan het voorbereiden ben, kan ik bijna niet kiezen welke verhalen met Halloween te vertellen als het buiten donker is, met kaarsjes op de achtergrond en de wind die huilt langs het huis.

Een volksverhaal is een verhaal dat ergens in de historie een oorsprong heeft en dat is specialer dan zomaar een verhaal. Er was een moment dat iemand een avontuur heeft meegemaakt en besloten heeft om het na te vertellen. Mogelijk eerst hopeloos opgeklopt, of zo geworden na al die jaren van door vertellen. Maar dat verhaal, dat is nooit verloren geraakt en nog steeds tot onze beschikking om door te blijven vertellen aan nieuwe generaties. Dat is de reden dat ik altijd eerst een volksverhaal kies boven een ander verhaal, als ik van plan ben er eentje te vertellen. En griezelen dat konden ze vroeger al als de beste, dus voor een goed griezelverhaal is het ook de moeite waard om een kijkje te nemen bij onze eigen Nederlandse volksverhalen.

Ik heb 10 Nederlandse volksverhalen op een rijtje gezet voor deze Halloween, die ik erg geschikt vind voor kinderen vanaf 12 jaar (die houden van een spannend verhaal). Heerlijke verhalen om te vertellen met een zaklamp tegen je kin terwijl je samen in een kring zit. Soms is er niets lekkerder dan een avondje samen door te brengen en samen spooky verhalen te delen. Veel griezelplezier!

  1. De Boze Geest van Hoge Duvel
  2. Blauwe Gerrit
  3. Huttenkloas
  4. De Jongen die Leerde Lezen
  5. De Levende Dode
  6. De Heksenboom van Bladel
  7. De Wandelende Doden
  8. Van een Ridder die de Ziel van zijn Vrouw Verkocht
  9. De Witte Juffer van Hoog Soeren
  10. De Dolende Peelridder
  1. De Boze Geest van Hoge Duvel

Er was eens een boer uit Nunspeet die in Wiesel hakhout kwam halen. Maar toen hij de wagen had volgeladen en huiswaarts wilde keren, kon zijn paard niet voort en merkte hij dat het dier ziek was geworden. Zo kwam het dat hij zijn paard in Wiesel liet en een veearts ging halen, na eerst aan een daar wonende boer verzocht te hebben de wagen met hout voor hem naar Nunspeet te rijden. Deze boer zond zijn knecht met zijn paard. De knecht spande een zwart paard voor de wagen en reed naar Nunspeet.

In de nacht keerde de knecht op het losse paard weer huiswaarts. Een enkele ster stond te pinken tussen wat zacht zwevende tere nachtwolken. Het was stil overal. De dorpjes en buurten welke hij door reed, lagen al te slapen tegen de heuvelhellingen. Het ketsen van de hoeven sloeg de stilte stuk en in het bos schreeuwde de bosuil: “Krie-oe, ‘k krieg oe.” Dat hoorde de boerenknecht wel, maar hij was een onverschillige jongen en hij schreeuwde terug, zodat de slapende echo’s er van wakker schrokken.


Diep in de nacht kwam hij eindelijk bij ‘Hoge Duvel’. Hij herinnerde zich de verhalen die hij gehoord had over de boze geest Ossaert die daar woonde en een plaag was voor heel de omtrek, totdat de heilige monnik – die aan het Uddelermeer woonde – met een ijzeren kruis de kwelduivel teruggedrongen had op ‘Hoge Duvel’ en waar hij 99 jaar moest blijven.

De boer bij wie de knecht diende had de boze Ossaert wel in de struiken horen snurken en ook wel een blauw licht op ‘Hoge Duvel’ gezien. En de buurman had er eens honend geroepen:

“Griepke, griepke grauw
a’j’ me griepen wilt, griep me dan gauw.”

Toen was er een groot zwart monster met vreselijke zwaarte boven op hem gesprongen. Hij had de klauwen in zijn rug gevoeld en dacht te zullen sterven. Hij had gelopen met de moed der wanhoop totdat het monster ineens losliet, omdat het niet verder dan ‘Hoge Duvel’ kon komen.

De knecht geloofde van al die verhalen ‘helemaal geen zak’ en had er om gelachen. Nu hij de berg opreed wilde hij toch wel eens zien, wat er van al die onzin waar was. Gebeurde er iets, dan was het nog niet erg. Als hij aan de andere kant de voet van de berg bereikt had, zou de kwelgeest hem toch moeten loslaten. En boven op de berg gekomen riep hij uit alle macht:

“Griepke, griepke grauw
a’j’ me hebben wilt, griep me dan gauw.”

Er sloeg een vlam uit de weg omhoog en een dreunende klap volgde. Het paard steigerde hoog, zodat de jongen – als hij een minder goed ruiter was geweest – er af gevallen zou zijn. Tegelijkertijd zag de knecht achter zich een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Hij zette het paard in draf en met de oren in de nek stormde het met zijn berijder de berg af. De boze Ossaert bleef achter.

Wel was de ruiter wat geschrokken; maar zich bij de eik aan de voet van de berg veilig achtend, nu het monster hem niet verder volgen kon, keerde hij zich op het paard om en lachte de kwelduivel honend uit. Daar stootte de geest een woedend gebrul uit dat ver in het rond weerklonk en uit het bos dat ter weerszijden van de weg gelegen is en ‘De Roode Heggen’ genoemd wordt, sprongen een aantal weerwolven met groen lichtende ogen te voorschijn. Nu was het lachen uit en de roekeloze knecht werd door een grote angst bevangen.

Het schichtige paard stormde als een wervelwind over de weg. De kop vooruit gestrekt, de neusvleugels trillend van angst. De galop van zijn neerbeukende hoeven sloeg de kluiten en keien uit de grond. Het werd een duivelse rit op leven en dood. In duizelingwekkende vaart sleurde het paard zijn berijder langs takken en struiken en de man zette het tot nog grotere spoed aan, tegelijk doodsangsten uitstaande, dat de krachten van het vermoeide dier uitgeput zouden zijn vóór het einde van de weg.

De weerwolven huilden als een dolle verschrikking vlak achter hen aan; maar het paard won eindelijk iets op de achtervervolgers, die een vreselijk gehuil aanhieven en de vervolging sneller en sneller voortzetten. Nu scheen het paard uitgeput te zullen neerstorten. Telkens struikelde het, maar schoot dan weer vooruit. In de verte zag de ruiter de veilige hoeve al, maar de weerwolven wonnen. Hij hoorde hun gehuil steeds dichterbij komen en voor het laatst zette hij zijn trouwe paard tot uiterste spoed aan. Het dier wankelde, struikelde weer; de ruiter hield het nog op. De takken striemden de jongen in het gelaat. In een razende vaart reden ze het erf op en met de laatste en uiterste krachtsinspanning, droeg het kloeke dier zijn berijder tot op de deel. Het was net op tijd.

Toen de knecht de grote deeldeuren snel dichtsloeg en er de boom voorschoof, waren de spookwolven op geen twee vadem meer van hem af. Hij hoorde hen buiten janken. Het trillende paard zag met verwilderde ogen rond of het zijn eigen stal niet herkende en het was zo nat bezweet, dat het wel leek of het uit het water kwam. De knecht klopte het arme dier vriendelijk en dankbaar op de hals, verzorgde het goed en ging toen naar bed.

Maar de volgende morgen vond de boer zijn zwarte paard dood op het stro liggen. ’s Nachts, toen iedereen sliep, had – ondanks dat er een paardenkop boven op de stal stond – de nachtmerrie toch nog binnen weten te komen, om zich te wreken op het onschuldige dier. De boer ontstak in hevige woede toen zijn knecht hem het verhaal van de nachtelijke rit deed en hij zond hem om zijn roekeloosheid op staande voet weg.

2. Blauwe Gerrit

Blauwe Gerrit, ook wel Blauwbroek genoemd, is een aapachtig plaagwezen. Hij is vrijwel op de hele Veluwe bekend. Hij springt op verlaten plaatsen en op duistere avonden mensen onverhoeds op de schouders. Hij maakt zich steeds zwaarder, zodat ze bekaf worden en ze zijn blij als ze eindelijk de bewoonde wereld bereiken. Ook duwt hij wandelaars opzij die in het karrespoor lopen – vooral waar twee wegen of paden elkaar kruisen. En hij danst tussen de struiken, alsof hij van de duivel bezeten is. Blauwe Gerrit ziet er dan uit als een blauw waas van geheimzinnig licht, dat op en neer gaat.

Tussen de woningen van de mensen heeft Blauwe Gerrit weinig macht; als natuurwezen hoort hij bij de eenzaamheid en de duisternis. Eerlijk gezegd doet Blauwe Gerrit zelden of nooit kwaad. Hij is alleen maar verzot op een verzetje en soms grijpt hij in, als onrecht dreigt. Over plaaggeesten zoals Blauwe Gerrit, in dialect Blaauw Garrit genoemd, doen op de Veluwe veel verhalen de ronde.

Bijvoorbeeld over een molenaar, die in plaats van de portie die hem normaal toekwam, een grote schep uit de meelzak nam. Opeens werd zijn schop zo zwaar als lood, zo zwaar dat hij hem nauwelijks kon hanteren. Dat was het werk van Blauwe Gerrit. Wel een uur is de molenaar aan het tobben geweest, maar hij kreeg de schep niet uit de zak. Plotseling hoorde hij gegrinnik. Het was alsof er snel iemand wegliep, maar hij zag niets. Toen kon hij de schop weer vrij bewegen.

Soms klimt Blauwe Gerrit op zwaarbeladen wagens. Hij had het vroeger bijzonder gemunt op voerlieden die een slokje te veel op hadden. Dan bleef hij urenlang onzichtbaar zitten op de zware lading, zodat de kar niet vooruit te krijgen was.

Nog een verhaal over Blauwe Gerrit komt uit de buurt van Voorst. De jonker van Busloo keerde op een winteravond terug van de jacht met een lege weitas. Maar daarom niet getreurd: hij zou een heel andere buit binnenhalen, kostelijker dan hazen of patrijzen! Hij zag immers Hanna lopen, de zeventienjarige dochter van een arme weduwe, die land van hem pachtte. Ze liep met een vrachtje sprokkelhout moeizaam naar huis. De jonker greep haar beet, tilde haar voor zich op zijn paard en reed spoorslags weg. Hij trok zich niets aan van haar bidden en smeken; zo’n pril zwartharig meisje was precies wat hij nodig had op een eenzame winteravond! Maar plotseling slaakte zij een gil: “Daar loopt Blaauw Garrit! Breng me gauw weer naar mijn moeder, jonker. Dit kan niet goed gaan.” Maar de jonker lachte om Blaauw Garrit. Hij zag immers niets en aan bakerpraatjes hechtte hij geen waarde: “Schimmen zijn schimmen, daar houden denkende mensen geen rekening mee.”

Maar opeens stond zijn paard schuimbekkend stil. Het was met geen mogelijkheid meer vooruit te krijgen. Blaauw Garrit zat bovenop de nek van het arme dier en drukte er met zijn volle gewicht op. Wat anders meestal onzichtbaar was, kregen ze nu te zien, als een visioen. De jonker en het meisje zagen het spooksel in levende lijve: dreigend, met rollende ogen als vurige bollen en een wapperend blauw kleed, dat vreemd oplichtte. Maar de jonker bleef overmoedig. Met zijn wapen stak hij naar het spookwezen: hij zou het wel klein krijgen. Maar hij kliefde slechts in de ijle lucht. Blaauw Garrit bleef onkwetsbaar. Toen sprong de jonker radeloos van zijn paard, en ging er te voet vandoor. Maar Blaauw Garrit sprong toen hem op de rug en hij kon geen stap meer verzetten. Stokstijf bleef hij staan op de plek waar hij stond. Hij kon nog maar één ding doen: Hanna zijn paard schenken en haar naar de pastoor van Gietel sturen. Die kon hem helpen, want die had een boek waarmee hij toveren kon.

Hanna reed zo snel ze kon naar haar moeders hut op de heide terug. Haar moeder, die al bang op haar dochter zat te wachten, hoorde het hoefgetrappel: “Het dodenpaard,” verzuchtte zij, “dat voorspelt niet veel goeds.” Haar voorgevoel werd gelukkig niet bewaarheid. Hanna kwam ongedeerd aanrijden, op het paard van de jonker! Beide vrouwen knielden neer om God te danken. En zij vergaten helemaal om de pastoor te waarschuwen.

Pas bij dageraad liet Blaauw Garrit zijn slachtoffer los. De jonker strompelde naar Busloo terug, het angstzweet hing hem als ijspegels in haren en baard. In die weinige uren was hij wel dertig jaar ouder geworden. Hanna bracht het paard terug naar de stal en ontving twee handen vol goud. Zo kon zij binnen het jaar trouwen, want met de armoede was het gedaan.

3. Huttenkloas

In najaarsnachten kan het flink te keer gaan in de Wienersteeg, waar vroeger de postkoets reed die vanuit Amsterdam, via Delden naar Hamburg onderweg was. Wanneer de wind door de bomen zwiept, hoort men soms nog het klappen van de lange zwepen en de hoefslagen van de paarden, alsof dit geluid voor altijd is blijven hangen in de holle weg.

Wanneer de storm heviger wordt, dan klagen en huttenkloaszuchten de doden, die hier zo wreed zijn afgemaakt. Ze kunnen geen rust vinden, omdat ze zo onverwacht en onvoorbereid zijn gestorven. Dat zijn de slachtoffers van de rover Huttenklaos.

Vanuit de hei, achter de steeg, hoor je soms nog hun stemmen, die drie keer in doodsangst “Oh God! Oh God! Oh God!” roepen. Op dat ogenblik komt de schim van Huttenklaos dichterbij. Met gebogen hoofd sleept hij zich langzaam voort door de steeg. Hij kan niet meer lopen, omdat de Oldenzalers al zijn ledematen, één voor één, op het rad gebroken hebben.

Het was rond 1700 dat in Bentelo ene Klaas Annink werd geboren, zoon van Jannes Annink en Jans Geere. Eigenlijk zou hij beter bedelaar kunnen worden; want hij kon mensen goed dwingen om dingen te doen. Maar in plaats daar van werd hij keuterboer en alles zat hem daardoor tegen. Hij werd de eigenaar van boerderij de Huttenplaats aan de Wienersteeg. Alleen een geboren boer had het geduld om het land goed te bewerken en Klaas had daar helemaal geen tijd voor of zin in. “Als het niet goedschiks gaat, dan maar kwaadschiks,” dacht hij en vanaf dat moment werd er niet meer gespit of geploegd op zijn land. Klaas trok er weer net als vroeger op uit. Maar niet om te bedelen, maar om te stelen.

Miste een boer een paar volle bijenkorven, dan kon hij er zeker van zijn, dat een bakker uit Delden of Goor een paar dagen later honing gebruikte, die hij van Huttenkloas had gekocht. En zoals het met de honing ging, zo ging het met alles wat Klaas maar gebruiken kon. Hij en zijn zoons Jannes en Gerrit, die ook geen lieverdjes waren, stalen van het erf. En zelfs als iemand ze op heterdaad betrapte, durfde men ze niet aan te klagen, want dan zouden ze zijn schaapskooi of zijn schuur in brand zetten, of zijn vee doden. Huttenklaas en zijn gezin joegen er heel wat geld doorheen. Daarom was Klaas steeds op zoek naar ideeën om aan geld te komen, zonder ervoor te hoeven werken.

Op een dag was er en schaapskoopman die hem naar de weg vroeg. Klaas vroeg hem of hij geld bij zich droeg: “Ja, vijf gulden!” zei de koopman. “Dan ben je een moord waard,” zei Huttenklaos met een harde stem, maar precies op dat moment kwam er een wagen aangereden en ging Klaas er snel van door. Die keer bleef het dus nog bij zijn woorden…

Twee slagers uit Delden, twee broers, Mozes en Levy de Leeuw, gingen een keer op weg om in Hengevelde kalveren te kopen. Onderweg gingen ze even bij Huttenkloas langs om een pijp aan te steken. Toen Klaas hoorde dat ze kalveren wilden kopen en dus geld bij zich moesten hebben zei hij: “Ik heb hard geld nodig om het hooi te kunnen betalen.” Hij liep snel de deel (de grote koeienstal) op, om een bijl te halen, maar de slagers wachtten niet tot hij terug was en ze gingen er snel vandoor.

Pompen-Herman, een neef van Klaas’ vrouw, kwam er niet zo goed van af. Hij was een brave kerel die wel wist dat Klaas en zijn zoons veel diefstallen pleegden. Hij kwam geregeld langs om een praatje te maken en om te proberen om ze op het goede pad te brengen. Dat was natuurlijk vergeefse moeite; ze bleven toch wel stelen. Na een tijdje vond Klaas hem toch te gevaarlijk; hij wist teveel en dus moest hij worden vermoord. Toen hij rustig bij de haard een pijpje zat te roken, werd hij onverwachts vastgehouden, waarna de oudste zoon Jannes hem met een bijl de hersens insloeg.

De kleine boerderij van Klaas Annink lag eenzaam aan de weg, waardoor er ’s avonds vaak koopmannen langs kwamen die vroegen of ze in de schuur mochten slapen, omdat Delden nog zo ver was. Vroeger had Klaas ze schreeuwend weggejaagd, maar nu riep hij ze binnen, gaf hij ze brood en koffie, en vroeg hoe het met de zaken stond. Wie veel geld bij zich had, kwam nooit in Delden aan, maar bleef voor altijd in het heideland rusten, nadat Klaas hem in z’n slaap de strot had doorgesneden.

Alleen van zijn laatste slachtoffer, de moord waarvoor Klaas werd opgepakt, is de naam bekend. Willem Stint heette hij, en hij verkocht kousen. Kousen in helblauwe, groene en paarse kleuren, die de rijke boeren altijd op zondag droegen. Nadat hij gastvrij door Klaas was onthaald, was voor Willem de kleine kamer naast de keuken, klaar gemaakt. Maar hoe hij het ook probeerde, hij kon niet goed in slaap komen.

Terwijl hij wat lag te draaien, hoorde hij Klaas en zijn vrouw in het keukentje overleggen, wanneer en hoe ze hem zouden vermoorden. Willem wilde natuurlijk zo snel mogelijk weg, maar het kamertje was zo klein dat hij niet kon ontsnappen. En dus kon hij niets anders doen dan wachten totdat Huttenkloas binnen zou komen om hem te vermoorden.

Eindelijk gebeurde het. De deur piepte, en langzaam, o zo langzaam ging de deur open. Met het mes in de hand sloop Klaas naar het bed, maar Willem was hier op voorbereid.

Luid schreeuwend sprong Willem boven op de oude rover, zodat het mes uit de hand van de Huttenkloas viel. Ze worstelden in het donker, maar het duurde niet lang, want vrouw Aarne kwam binnen. Zij hield een flikkerende olielamp boven hun hoofden, zodat haar zoon alles beter kon zien. Jannes, de oudste zoon, had een bijl in zijn hand en stond klaar om toe te slaan. Maar in het kleine kamertje kon hij niet goed zwaaien met de bijl, en dus sleepten ze Willen met zijn allen naar de keuken waar meer ruimte was. Met één flinke zwaai werd de schedel van Willem Stint gespleten. In diezelfde nacht nog werd hij, nadat men zijn geld had geteld, niet ver van de anderen in de heidegrond begraven.

De vader van Willem Stint was een koppige man. Toen zijn zoon op de dag voor Kerstmis nog niet thuisgekomen was, begreep hij dat er wat gebeurd moest zijn. Hij nam een stok van de muur en ging op weg om zijn zoon te zoeken. Hij sprak de mensen aan die hij in de dorpen tegenkwam, en vroeg in de herbergen en aan de deuren van afgelegen boerderijen of men zijn zoon Willem soms ook hadden gezien, die elk jaar in deze streek zijn kousen kwam verkopen. Veel mensen herinnerden zich dat ze Willem dat najaar nog hadden gezien en zo liep de oude Stint verder, van dorp tot dorp, tot hij aankwam in Delden.

Het was een zondagmorgen en de kerk ging juist uit. De boeren liepen in groepen over het plein om naar de herbergen te gaan. Net toen hij achter ze aan wilde gaan om ze wat vragen te stellen, zag hij een grote, sterke kerel de kerkdeur uitkomen die heel bijzondere kousen droeg. De ouwe man herkende ze meteen, want hij had ze zelf gemaakt. Het waren de kousen waarvan hij er maar één paar had geweven, het paar dat zijn zoon elke zondag had gedragen. Ook herkende hij de broek die de man aan had. Het was een broek met gebreide zakken, die overduidelijk van Willem moest zijn geweest.

“Wie is die man?” vroeg hij met bonzend hart aan een oude man, die op zijn stok geleund bij hem in de buurt stond. “Dat is Huttenkloas van de Wienersteeg.”

Diezelfde middag ging de oude Stint naar het huis van de rechter. “Ik wil een aanklacht tegen Huttenkloas indienen, rechter,” zei hij.

De rechter aarzelde: “Eén getuige is geen getuige,” zei hij. “Wanneer Huttenkloas je heeft bedreigd en je geld heeft gestolen, zullen zijn vrouw en zijn zoons zweren, dat hij op dat moment op een heel andere plaatst was. En niemand zal zich aanbieden om je te helpen. Huttenkloas is de schrik van de buurt en men is banger voor hem en zijn zoons dan voor mij en mijn bosjagers.”

“Huttenkloas heeft mijn zoon gedood en hij draagt zijn kleren. Hij zal boeten. Mijn dode zoon zal mijn getuige zijn, als ik de moordenaar aanklaag,” zei de vader Stint.

“Als je het zo ziet, dan zal ik hem zondag, als de kerk uitgaat, gevangen nemen,” beloofde de rechter. Die dag zette hij vier sterke, met geweren gewapende bosjagers bij de kerkdeuren. Ze namen Huttenkloas en zijn oudste zoons gevangen. Zij verzetten zich helemaal niet, want ze wisten toch zeker dat ze niet veroordeeld zouden worden. Een paar uur later werden ook de vrouw en de jongste zoon, die thuis waren gebleven, opgepakt. De vier gevangenen werden allemaal apart opgesloten, om ervoor te zorgen dat ze onderling geen afspraken zouden kunnen maken.

Eerst sprak er niemand, maar nadat ze hadden gedreigd Gerrit, de jongste zoon, op de pijnbank in Oldenzaal te leggen, wilde hij wél vertellen. “Jannes heeft de verkoper met de bijl doodgeslagen, want hij lag met vader te vechten en moeder heeft de lamp vastgehouden en ze heeft ook het geld in een zak gelegd.”

Daarna werden Huttenkloas en zijn familie naar Oldenzaal gebracht, waar men Klaas met ijzeren banden vastmaakte aan de leuningen en aan de poten van een houten stoel. Op deze dwangstoel zat Huttenkloas 110 dagen. Na een korte rechtszaak werden de vonnissen uitgesproken:

  • Huttenkloas en zijn zoon Jannes werden veroordeeld om levend te worden geradbraakt (het breken van al je botten met ijzeren staven).
  • Aarne zou met een koord worden gewurgd.
  • Gerrit, de jongste, tegen wie men niets bewijzen kon, werd als scheepsjongen naar zee gestuurd. Dit deed men om jonge mannen kwijt te raken, die toch niet meer goed terecht zouden komen.


Op de dag toen Huttenkloas en zijn vrouw op de markt te werden terechtgesteld, stond het er zwart van de mensen, die dit allemaal graag wilden zien. Als een nette vrouw deed Aarne, bij het zien van al deze mensen, haar halsdoek recht, en ze zei tegen Klaas: “Kijk eens Klaas wat er een boel mensen op ons feestje hebben!” Een uur later, toen de beul en zijn helper met ijzeren staven alle ledematen van Klaas braken en hij het uitgilde van de pijn, zei Aarne rustig: “Och, onze Klaas is altijd een zeurpiet geweest.”

Nog lange tijd heeft men hun lichamen vastgespijkerd op een rad en gehangen in ijzeren kettingen, laten hangen op de Galgebult. Dat was om andere rovers af te schrikken.

Op het laatst heeft men ze onder de galg begraven.

4. De jongen die leerde lezen

Er was eens een jongen die niet kon lezen en schrijven, maar hij wilde ’t graag leren. Hij vond echter niemand die hem onderwijs wilde geven. Eindelijk ontmoette hij een heer die hem in dienst wilde nemen en die hem dan lezen en schrijven kon leren. De jongen nam dit met blijdschap aan.

Toen hij een half jaar bij de heer gediend had, was hij al tamelijk ver gevorderd. Toen beval de heer hem eens op te schrijven hoe men zich in allerlei dingen kan veranderen. Dat stond in een groot boek dat de heer hem gaf. De jongen keek daar vreemd van op. Maar toen hij alles had opgeschreven, leerde hij het van buiten. En toen hij alles in zijn hoofd had, kreeg hij zin om zich ook eens te veranderen.

Hij veranderde zich in een koe en ging in het weiland van een van de boeren liggen. Toen de boer de volgende ochtend in het veld kwam zag hij daar een vreemde koe. Er kwam niemand opdagen die zich als eigenaar van het dier liet gelden. Daarom ging de boer met de koe naar de markt en verkocht het dier voor een goede prijs aan een veehandelaar. Die ging met het beest aan een touw op weg naar zijn woonplaats. Maar toen ze een poos hadden gelopen werd de koe halsstarrig en rukte zo krachtig aan het touw dat het brak. De koe vluchtte een bosje in en veranderde zich daar weer in een jongen. De jongen liep de man tegemoet. Toen deze hem vroeg: “Heb je ook een koe gezien?” zei hij ‘nee’ en liep verder.

Maar de jongen vond deze kunst zo mooi, dat hij zich kort daarna in een paard veranderde. Het paard werd gekocht door de heer die de jongen had leren lezen en schrijven. Hij had het dier nog niet zo lang op stal staan, of de heer merkte dat het niemand anders was dan zijn voormalige leerling. De heer was hier boos om, omdat hij niet wilde dat iemand anders de kunst van het veranderen zou kennen. Hij haalde het paard uit de stal en ging ermee naar de smid om het te laten beslaan. Toen de hoefijzers eronder zaten zei de heer: “Smid, maak nu eens een groot stuk ijzer gloeiend en geef mijn paard daar een paar flinke brandmerken mee.” Zo wilde hij de jongen straffen.

De smid stak een groot ijzer in het vuur, maar eer hij daarmee klaar was, veranderde de jongen zich in een haas en snelde weg, zo hard hij kon. Plotseling veranderde de heer zich nu in een hond en liep de haas achterna om hem te vangen. Maar voor hij dat kon doen veranderde de jongen zich in een vlieg. Hierop veranderde de heer zich in een zwaan en wilde zo de vlieg vangen. Maar dit lukte niet, want de vlieg vloog te snel heen en weer.

Boven een tuin gekomen veranderde de jongen zich in een gouden ring, die op de grond viel.

Juist op dat ogenblik wandelde daar een meisje dat de ring vond. De heer veranderde zich toen snel in een koopman. Hij wendde zich tot het meisje en vroeg of hij de ring kon kopen. “Nee,” zei ze, maar toen liet ze de ring plotseling vallen. De ring veranderde snel in een gortkorrel. De koopman werd een haan, die de korrel wilde oppikken. Maar eer hij dit kon doen veranderde de korrel in een vos, die de haan de kop afbeet.

Dit was de beloning omdat de heer de jongen lezen en schrijven had geleerd.

5. De levende dode

In Dokkum stond een huis waar vreemde dingen gebeurden. Er woonden een man en een vrouw, en een moeder die bij haar getrouwde dochter was ingetrokken. Het gerucht ging dat de man vaak dronken thuis kwam en dan zijn vrouw sloeg.

De oude vrouw had haar vaste plaats aan het raam vanwaar zij de voorbijgangers kon zien. Iedereen groette haar, van de burgemeester tot de jongste slagersknecht, want ze werd door iedereen in het dorp gerespecteerd. Ze had nooit een mens ter wereld bedrogen, ze had nooit gelogen, en ze had medelijden getoond met arme zwervers die bij haar aan de deur klopten.

Op de voorhoofden van alle oude mensen staan rimpels van zorgen en berouw gegriefd. Elke rimpel heeft zijn eigen verhaal: hier is een rimpel omdat men een bedelaarshand heeft genegeerd, lange jaren geleden; daar nog een rimpel omdat men zijn vriend heeft verraden uit geldzucht of uit onnadenkendheid; en soms is er een diepe rimpel, die verraadt dat men zichzelf heeft verkocht. Dit zijn rimpels van diegenen die gezondigd hebben.

Op ’t voorhoofd van de oude vrouw waren deze rimpels niet te zien. Bij haar waren het zachte, stille, onzekere lijnen, groeven kon men ze niet noemen, zo weinig diep waren ze. Bij haar waren het de rimpels van een eervol leven.

Nu ze oud werd, zag men een warnet van deze rimpels op haar voorhoofd, als ze even opkeek van de bijbel op haar schoot. Ze droeg een grote uilenbril om beter te kunnen lezen. Al vijftig stappen voor het huis dacht iedereen die haar voorbij zou gaan: “Straks zie ik de oude vrouw die mij zo vriendelijk groet.”

Toen kwamen de dagen dat ze niet meer glimlachte. Wel las ze de bijbel, maar niet meer met blijmoedigheid. Wat ging er toch in het huis om, dat zich diepe rimpels in haar voorhoofd plooiden? Zij durfde bijna niet meer te groeten van haar plaats bij het raam. Het was of haar ogen achter de grote uilenbril smeekten: “Ga liever mijn huis voorbij! Doe of ik niet besta. Mijn pijn is te scherp. Groet mij niet!”

Men kon haar raam niet voorbijgaan, zonder haar toe te knikken. Dan boog ze eerbiedig het oude hoofd, want ze wilde niet graag iemand beledigen, zelfs nu niet, nu ze voelde dat ze spoedig zou sterven. Het verdriet was in haar bloed als langzaam werkend gif. Ze verlangde naar rust… rust die ze alleen op het kerkhof zou vinden.

De mensen waren zich er niet van bewust dat op een dag de oude vrouw niet meer achter haar raam zou zitten. Zij was de spil van het huis, en als zij er niet bleef om orde en toezicht te houden, kon men in dit huis alleen rampspoed en ellende verwachten. Hoe vreemd het ook schijnen mag, de oude vrouw kon het minst van allemaal worden gemist. Toch bemoeide ze zich nergens mee. Zolang het zonlicht scheen, zat ze bij het raam; als de avond viel, ging ze rusten.

Op het ogenblik dat ze sterven zou, wist ze dat de misdaad, die zijn intrede in het huis al had gedaan, vrij spel zou hebben, een misdaad die even erg was als die twee grote plagen van de mensheid: honger en dood. Tot het einde toe zat de oude vrouw voor het raam, de grote uilenbril op de neus, de handen rustend op haar bijbel. Nog groette ze iedereen die voorbij kwam. Ze had geweigerd om in haar bed te gaan liggen. “Hier heb ik geleefd, en hier wil ik dood gaan,” zei ze met vaste stem tegen haar dochter, die haar smeekte om naar bed te gaan.

Zo stierf ze voor het raam, nadat ze nog diezelfde dag velen had gegroet. Ze werd snel begraven, maar niet snel vergeten, terwijl dat toch het lot van de meeste doden is. Nu ze niet meer voor het raam zat, was de misdaad de baas. Dikwijls was er een groot kabaal in de kamer te horen. Vaak klonk er geschreeuw, en hoorde men het kermen en jammeren van de dochter. Op een keer strompelde de jonge vrouw naar buiten, met een bebloede doek voor het gezicht, maar toen men haar vroeg wat er aan de hand was, antwoordde ze niet. Wanneer ze alleen was, huilde ze.

“Moeder! Moeder! Waarom bent u er niet meer om me te beschermen? Ik had dood willen gaan vóór u. Dit leven… is te zwaar… voor mij. Ik houd het niet uit, altijd die dronkaard om me heen. Hij wil me vermoorden! Maar dat is misschien nog het beste wat hij voor mij kan doen. Dan ben ik tenminste verlost van dit vreselijke lijden.”

Ze zei dit in haar angst en pijn die ze in haar eentje moest dragen, want ze vreesde de dood net zo goed als de meeste andere mensen. Er kwamen nooit vreemde mensen in hun huis. De stilte was een deel van de kamer, tot man en vrouw samen waren, dan brak de hel los.

Ze kon er met niemand over praten. In het stadje hadden velen haar gewaarschuwd. Ze vonden het haar eigen schuld. Ze had tenslotte niet met deze dronkelap hoeven trouwen. Er waren jongens genoeg geweest die haar graag tot vrouw hadden willen hebben, waarom had ze juist de verkeerde uitgekozen? Ze had vrijers te kust en te keur gehad, maar ze had haar zinnen gezet op die ene, en niemand kon haar ervan weerhouden. O dwaasheid der jeugd. Het kon zo niet langer duren. Maar hoe zou er een einde kunnen komen aan deze situatie?

Op een goede dag kwam iemand het huis voorbij. Hij keek naar binnen en toen stond hij plotseling stokstijf stil, en zijn hart sloeg een paar tellen over.

Achter het raam, op haar vertrouwde plek, zat de oude vrouw. De gestorven vrouw! Op haar neus droeg ze de grote ronde uilenbril, en op haar brede schoot lag de bijbel. Ze had haar hoofd gebogen, maar toen de voorbijganger haar zag, groette zij, zoals ze gedurende haar leven had gegroet. Op dat moment kwam de jonge vrouw naar buiten om uit de regenton water te scheppen. Ze dompelde de emmer in het vat, stond daarna een ogenblik stil, keek om zich heen, en ze merkte de man op die nog steeds naar het raam stond te staren. “Wat is er te zien?” glimlachte ze.

Hij wees naar het huis, en toen ze zag wat hij zag, deinsde ze achteruit. De oude vrouw achter het raam groette haar eerbiedig. “Wat is dat?” schreeuwde de jonge vrouw angstig. “Moeder?!” Maar er kwam geen antwoord. De oude vrouw opende haar mond niet.

Vanaf dat ogenblik was de zwijgende oude vrouw weer de meesteres in huis. Overdag zat ze als vanouds voor het raam, maar tegen de avond loste haar verschijning op in de scheme-ring.

De man van de dochter, in zijn voortdurende dronkenschap, dacht dat hij ter plekke een delirium kreeg toen hij zijn schoonmoeder voor het eerst op haar plekje achter het raam zag zitten. Hij zeilde langs de regenton heen en viel pardoes neer, zoals men op een gladbevroren weg valt. Verbaasd wreef hij over zijn pijnlijke hoofd, tastte met zijn handen langs de muren om zich vast te houden en stond dan eindelijk oog in oog met de oude, dode vrouw, alleen nog door het glas van haar gescheiden. Hij strekte zijn armen uit, en tierde als een waanzinnige, hoewel hij in een en dezelfde seconde broodnuchter was geworden.

De jonge vrouw hoorde hem buiten tekeer gaan en sprong haar bed uit. Zo stond ze voor hem, met wanordelijk haar, in lange sprietige slierten hing het langs haar wangen, haar handen leken nog magerder dan anders, ze haalde kort en hijgend adem.

“Jij… jij… jij hebt moeder hier teruggebracht!” – “Wat zegje nou, vrouw?!” schreeuwde hij. De oude vrouw sloeg de twee zwijgend gade. Hij riep in zijn wanhoop uit: “Moeten we hiermee verder leven?” – “Het is jouw schuld…” – “Hoelang zal dit gaan duren?”

“Dat weet ik niet. Ze bewaakt ons. Als je in de kamer zelf komt, zie je niets, maar als je naar buiten gaat…” – “Ik zal andere ruiten in het raam laten zetten.” – “Daarmee jaag je haar heus niet weg.”

“Ze moet heengaan,” huilde hij. “Ze zal ons niet van hier verdrijven. Ze zal en ze moet weg!”

Hij liet andere ruiten in het raam zetten, zoals hij had gezegd, maar hij bande haar niet uit de kamer. Zij zat, als een stomme gast, bij het raam en knikte al haar oude vrienden toe. Ze kende iedereen weer, alsof ze het huis nooit had verlaten. Ze zat er om haar dochter te beschermen, zoals een levende moeder zou doen. Wie durfde nog te geloven dat ze deze aarde ooit had verlaten! Ze was zó werkelijk, dat niemand in haar een geest zag. Als een levende vrouw boog ze haar hoofd licht bij wijze van begroeting en ze had een uilenbril nodig om in de bijbel te lezen. ’s Avonds zaten man en vrouw voortaan zonder ruzie bij elkaar. De man waagde het niet nog een druppel te drinken, en hij raakte zijn vrouw met geen vinger aan. Als de een de ander aankeek, hoefden ze geen van beiden te raden waar ze aan dachten. Ze durfden lange tijd niet hardop te spreken, want ze waren bang dat de oude vrouw hen ook ’s avonds bewaakte.

Nadat deze situatie vele maanden had geduurd, stond hij op een avond van zijn stoel op en riep snikkend uit: “Jaag jij haar weg… jij hebt haar geroepen. Door jouw toedoen is ze hier!”

Zoals een vleermuis die de draden in de duisternis handig weet te ontwijken, zo ontweken haar gedachten nu zijn woorden, en ze konden haar dan ook geen pijn doen. Ze zei alleen: “Laten we naar bed gaan, het is laat.” – “Laat of vroeg, ik weet niet meer wat voor tijd het is, sinds de oude vrouw hier leeft.” – “De nacht komt – buiten is het al donker.” – “Morgen komt toch het licht opnieuw. Ik ben banger voor de dag dan voor de avond. “Alle lampen zijn al uit.”

“De onze brandt nog, al zal ze de dag niet tegen kunnen houden. Wat kan de dag wel tegenhouden?” riep hij radeloos uit. “Ik ga alleen.” Ze blies zorgzaam de lamp uit. Hij zag dat ze heenging van tafel en zich uitkleedde. Toen legde hij de handen voor zijn gezicht, zodat er volstrekte duisternis heerste, en hij bracht de nacht wakend en piekerend in de kamer door. En ja, de volgende morgen ging de oude vrouw weer voor het raam zitten.

Ze deed of ze de man niet zag. Ze groette iedereen die voorbij ging even vriendelijk. Ze leek niet te horen wat de man tot haar dochter zei.

“Vraag het haar – ik merk aan de mensen buiten dat zij er weer zit.”

“Wat moet ik haar vragen? Ik zie haar niet…” – “Ga voor het raam staan en zeg me of ze er is.” De jonge vrouw stapte naar buiten en de moeder groette haar. Ze bleef even treuzelen. Toen stapte ze wankelend de kamer weer in. Hij richtte zijn hoofd op. “Zij is weg, nietwaar? Zeg me alsjeblieft dat ze weg is! Ze kan daar toch niet eeuwig blijven zitten?!” – “Zolang als jij leeft, zal er geen genade zijn, ze blijft.” Hij smeekte: “Vraag jij het haar dan of ze weg wil gaan. Dan doet ze het zeker, zij is tenslotte de moeder, jij bent haar kind. Ze zal het je niet kunnen weigeren.”

“Ik heb geen invloed meer op haar. In het hart van de doden is de liefde vergaan.” – “De liefde van een moeder voor haar kind vergaat niet. Zou ze soms hier zitten als haar liefde vergaan was? Dan zou ze rustig op het kerkhof liggen.” Hij greep haar bij de arm. “Val op je knieën, probeer het, anders moet ik zeker sterven.” Ze stapte in de richting van het raam, maar ze durfde niet te naderen tot de plek waar haar oude moeder zou zitten. “Val nu neer,” huilde de man. “Ze zal je misschien verhoren. Vertel haar dat ze niet meer nodig is. Het is afgelopen, ik heb toch mijn lesje geleerd.”

“Moeder!” begon de dochter. “Uw kind spreekt met u. U heeft mijn tranen gedroogd toen ik klein was, en later hoefde u mij maar aan te kijken, om me te laten glimlachen. Verdriet heb ik in mijn jeugd dankzij uw liefde nooit gekend.” Ze stopte een moment en herinnerde zich de dagen van weleer. Zoals men soms weer denkt aan een bijzondere dag in het voorjaar, waarop de vogels mooier dan ooit leken te zingen, zo ontbloeiden haar kinderjaren voor haar ogen die met tranen waren gevuld. Ze snoof de zoete geuren van de lentedag op, werd opnieuw dronken van de kleurenrijkdom van de bloemen die ze voor zich zag.

Het beeld van een verjaarsfeest schoot haar te binnen, hoe haar moeder een cadeau op haar bed legde – en ook voelde ze haar moeders kus weer op haar wang, toen ze vertelde dat de meester haar had geprezen. Ze riep de zoete, vertrouwde naam die de oude vrouw bij het raam moest doen opschrikken, en die haar glimlachend op haar dochter zou doen neerzien. “Moeder! Moeder! Moeder!”

Maar nu kwam er geen antwoord. Ze probeerde het opnieuw: “Moedertje, luister toch naar mij. Wat moet ik mijn man zeggen? Hij wordt nog waanzinnig! Wat een straf.” Moeder zweeg, en de jonge vrouw strekte haar armen hulpeloos naar haar man uit.

“Zie je wel? ’t Helpt niets, wat ik haar ook vraag…” – “Vraag haar dan wat ik heb gezegd,” riep hij ongeduldig, “dat heb je nog niet gedaan.”

De jonge vrouw kroop op haar knieën tot vlak voor de plaats waar haar moeder zitten moest.

“Moeder! Hij zal me nooit meer slaan. Het is genoeg geweest.” – “Ga nu naar buiten!” beval de man.

Ze deed wat hij wilde en keek nog een keer naar het raam. Wanhopig vouwde ze de handen toen ze zag dat de oude vrouw als altijd bij het raam zat, de bijbel op haar schoot. Ze keerde in de kamer terug. Haar man keek niet op. Hij vroeg niets, maar zij gaf hem door haar stilzwijgen al genoeg antwoord. “Ze is niet weggegaan, het helpt niets of ik in het stof kruip voor haar. Haar hart is dood!”

“We gaan op zolder wonen. Ik laat achter in het huis een trap maken. We komen nooit meer in deze kamer terug. Ik wil nog wel eens zien wie hier de sterkste is, zij of ik! Ze zal het hier niet lang meer uithouden,” riep hij, en er klonk nieuwe hoop in zijn stem, “en als alles over zoveel jaar voorbij is, kunnen we weer naar de kamer gaan.”

Hij timmerde op de zolder een bedstede, en hij zette de stoelen en de tafel daarbij. Ze hadden nu het gevoel dat ze heel ver van de kamer leefden. Ze vermeden het zoveel mogelijk naar buiten te gaan. Alleen wanneer de vrouw water uit de regenton moest scheppen, verliet ze het huis, maar dan zorgde zij er wel voor dat ze niet in de richting van het raam keek. Het zou niet helpen. Ze merkte aan de voorbijgangers, die dikwijls even stil bleven staan, dat de oude vrouw nog altijd voor het raam zat.

Op den duur konden de twee mensen op zolder dit leven niet langer volhouden. Ze vroegen zich af of de oude vrouw nog wel ooit weg zou gaan. Waarvoor zou zij wijken? Ze was niet gevoelig voor de smeekbeden van haar dochter, en met geweld viel bij een dode ook niets te bereiken.

“Ik ga morgenvroeg nog één keer kijken of zij er nog altijd is. En dan..;” zei de man op een keer, toen ze de hele avond zwijgend tegenover elkaar hadden gezeten. Zij voelden zich door de wereld verlaten, want er was niemand in Dokkum die hun huis nog wilde bezoeken.

Hij had zijn zin niet afgemaakt, maar zij voelde hoe de aloude woede in hem opsteeg. Ze hield zich aan haar stoel vast en staarde hem met grote ogen aan. Hij liet zijn vuist op tafel vallen en ze schrok. Zou het oude leventje dan weer opnieuw beginnen?

“Wat wil je dat ik doe?” vroeg ze timide. “Ik ben bang.”

Door dit onverwachte antwoord, vatte ze moed. “Bang? Dan weet je ook eens wat dat is. Vroeger was je anders zo bang niet, je had me makkelijk dood kunnen slaan!” Hij voelde zich tot het uiterste getergd door haar brutale weerwoord.

“Durf jij zo tegen mij te beginnen? Nou weet ik helemaal zeker dat jij die toverkol hebt geroepen. Nou, je hebt het handig aangepakt, dat moet ik je nageven. Ik heb je met geen vinger aangeraakt. Maar ik ga er nu een eind aan maken.” Ze boog zich over de tafel heen en keek hem recht in de ogen. “Zij hier beneden zal over mij waken!” – “Net zolang als ik dat wil.”

“Ik wil eerst nog wel eens zien of je morgenvroeg naar het raam durft te gaan.”

“Dat zul je zien,” gilde hij met overslaande stem. “Morgen voor het licht is, zal ik er staan.”

Hij sliep de hele nacht niet. Hij keek met brandende ogen het duister in, zoals iemand die koorts heeft. Hij lette niet op de tijd, maar toch voelde hij de ochtend naderen. Aan de onzichtbare horizon ontstonden roze sluiers, terwijl het veld en de huizen nog met een inktzwarte deken waren bedekt. Moeizaam stond hij van zijn stoel, kleedde zich aan en ging naar beneden. De lucht was koel, en hij huiverde, zodra hij zijn hoofd buiten de deur stak. Toch aarzelde hij niet. “Ik moet met eigen ogen zien of zij er nog zit,” dacht hij. Het raam was nog één met de nacht. Als hij de plaats niet zo goed zou hebben gekend, zou hij het raam niet eens hebben kunnen vinden.

Toen hij voor het raam stond, en zijn neus tegen het glas drukte, zag hij niets van de gestalte. Maar toen drong achter hem, naast hem, boven hem, het zwellende licht van de dag op, als een onstuimige stroom die buiten zijn oevers treedt, door geen wal of dijk gehinderd. Toen deinsde hij achteruit, want voor het raam zat de oude vrouw. Glimlachend, zwierig bijna, groette ze hem. Hij tastte voor zich uit tot zijn vingers het raam aanraakten.

“Leef je dan?” schreeuwde hij. “Wat doe je bij ons?” De gedaante antwoordde niet. Ze zat nu in het volle licht en een straaltje zon vonkte in de glazen van haar uilenbril. De man sloeg tegen het raam.

“Geef dan toch antwoord! Ik ben niet bang voor je!” De oude vrouw knikte hem toe. Toen hield hij het niet langer uit, en huilend van angst en onmachtige woede liep hij de trap op.

“Ze zit er nog altijd en zegt niets.” – “Dat heb ik vooruit geweten. Zolang jij er bent, zal zij er zijn.”

“Dan moet het maar gebeuren…”

“Wat wil je? Raak me niet aan! Ze is bij het raam, ik waarschuw je.”

Hij lachte als een krankzinnige en liet zijn vuist op tafel daveren.

“Jij hoeft me niet te waarschuwen. Jij bent het die haar hier heeft gehaald. En als je nu niet zorgt dat ze wegkomt…” Hij schreeuwde het nu uit. “Van het raam weg! Die kat met haar uilenbril. Ksjj, smerige kat, wat doe je in mijn huis?” – “Wat klets je nou?! Heb ik haar in huis gehaald, dat lieg je zo groot als je bent. Ik heb niets in huis gehaald, dat niet van jou of van mij is. Ik heb geen geest in de kamer gebracht.” – “Bewijs het! We gaan hier vandaan. Ga je mee als ik hier vandaan ga?” treiterde hij.

“Waar moet ik op de wereld blijven, wanneer ik dat niet doe? Ik blijf hier niet alleen.”

“Misschien zal ze hier niet meer spoken als ik weg ben.” – “Nee, nee, je mag mij hier niet alleen laten.” Dit beloofde hij haar, maar de volgende morgen was hij verdwenen. Ze riep hem bij zijn naam. Ze doorzocht het hele huis van onderen tot boven, en ze kwam zelfs in de kamer. Ze vroeg de buren of iemand hem had gezien. Geen enkele kon haar troosten en voortaan zat ze eenzaam op de zolder, met de deur op slot.

Ze wist niet hoeveel nachten en vreselijke dagen ze in de eenzaamheid zat opgesloten, met de dreigende muren van de stilte om haar heen. Zij durfde helemaal niet meer te denken. Haar lot was nog akeliger dan van een gevangene, want die heeft nog altijd de hoop en het verlangen naar bevrijding. Zij echter zag niets dan haar cel.

Op een dag hoorde zij beneden een geluid dat tot haar doffe geest doordrong, en dat haar werktuiglijk het hoofd deed heffen. Er klonken voetstappen op de trap. Zij stond op, en opende de deur. In de opening bleef ze staan, en haar man kwam binnen, een vermoeide hongerige zwerver. Hij viel op een stoel neer, legde zijn handen voor de ogen en begon luid te huilen.

“Ze zit er nog altijd, ze zal hier nooit weggaan. En het is alles mijn schuld,” jammerde hij.

“Uit dit huis,” smeekte ze hem, “laten we samen uit dit verdoemde huis vertrekken.”

“Het is goed, laten we geen seconde langer wachten.” Ze pakte twee bundeltjes kleren, een voor haarzelf, een voor haar man. Ze lieten hun woning achter zich. Ze keken niet om en ze waren als mensen die zonder enige herinnering een streek verlaten. Onderweg kwamen ze bekenden tegen en dan namen ze afscheid van elkaar met het droevigste woord dat de taal bezit: vaarwel!

Nog lange jaren zat de oude gestorven vrouw voor het raam in het verlaten huis, en ze bleef iedereen die voorbijkwam vriendelijk groeten. Vreemden konden haar niet zien, maar alle inwoners van Dokkum die haar vroeger hadden gekend, zagen haar heel duidelijk en ze beantwoordden haar groet met respect. Moeders maakten hun ondeugende kinderen bang met de levende dode. Wanneer een man in Dokkum zijn hand ophief om zijn vrouw te mishandelen, schoot hem de levende dode te binnen, en dan viel zijn sterke vuist machteloos langs zijn lichaam neer.

Op een dag was ze plotseling verdwenen. Men vatte het op als een teken dat haar dochter en haar schoonzoon waren gestorven. Dit zou best eens waar kunnen zijn, want men heeft sinds hun vertrek nooit meer iets van die twee gehoord.

6. De heksenboom van Bladel

Ruim vierhonderd jaar geleden, op Driekoningenavond 1596, zaten in een klein armoedig huisje Bruno, een grote sterke kerel met vuurrood haar en zijn vrouw Zwarte Kaat, een vrouw met lang zwart haar, dunne lippen en een grote haviksneus. Ze waren leiders van een roversbende die de Brabantse Kempen vaak onveilig maakte. Hun roversnest werd Hellenend genoemd.

Opeens werd er op de deur geklopt. Drie lange en drie korte tikken, dat betekende goed volk. Daar stapte een ander bendelid genaamd Terus binnen. Hij ging bij het haardvuur zitten en vertelde dat op de Hoeve Ten Vorsel een baby geboren was. De heer Ten Vorsel had al zijn knechten eropuit gestuurd om het blijde nieuws te gaan vertellen, dus de hoeve was nu zo goed als onbeschermd. Dit was het moment om de Hoeve te overvallen.

De hoeve lag ten zuiden van Bladel midden in de bossen. Hier woonden Dirk ten Vorsel, zijn vrouw Elizabeth en hun zevenjarig zoontje Floris.

Bruno trommelde nog twee leden van de bende op. Het waren de één meter hoge dwergen Quintje de Bult en Bortje met de scheve nek. Ze maakten hun gezichten zwart met een verbrande kurk en gingen op pad. Zwarte Kaat wilde het kind meenemen want ze dacht dat een kind geboren in de Driekoningennacht een wonderkind zou zijn. Dat moest wel geluk brengen. De andere bendeleden wilden geld en sieraden.

Ze stormden de Hoeve binnen en gristen van alles mee. Toen Dirk zijn gezin wilde beschermen kreeg hij een slag met de beruchte knuppel van Bruno en Elizabeth moest tot haar ontsteltenis aanzien dat haar pasgeboren baby uit de wieg werd gehaald en meegenomen. De bende vluchtte in de richting van Postel.

Zwarte Kaat hield het kind stevig tegen zich aan. Ze gingen op weg naar de Abdij van Postel want als dit kind zijn geheimzinnige krachten wilde behouden, dan moest het snel gedoopt worden.

Na veel gebonk deed Pater Bernardus open. Deze werd gedwongen het kind te dopen. Het jongetje kreeg de naam Thomas. Het viel de pater op dat het kindje een gouden medaillon droeg en hij vroeg de helft van het medaillon als aandenken. Bruno, die allang blij was dat de pater had meegewerkt, brak zonder pardon het medaillon doormidden en gaf de helft aan de pater.

Intussen waren de knechten van Ten Vorsel een zoekactie begonnen maar moesten moedeloos terugkeren, want ze hadden geen spoor van de bende gevonden. Dirk had door de slag met de knuppel een flinke hoofdwond opgelopen en veel bloed verloren. Vastgebonden hadden zijn vrouw Elizabeth en de zevenjarige Floris moeten toezien hoe de bende Dirk voor dood had achtergelaten.

De bende viel na de overval uit elkaar. Quintje en Botje gingen met hun deel van de buit feestvieren in Antwerpen. Bruno, Kaat en Terus trokken al plunderend naar Duitsland waar ze ook berucht werden.

In de jaren na de overval bleef het ongeluk de familie Ten Vorsel achtervolgen: een felle brand legde een groot deel van de stallen in as, de oogst mislukte jaren achterelkaar en de Hoeve verarmde. Floris ging op zijn achttiende varen om zo aan de kost te komen. Zijn ouders gingen in een klein arbeidershuisje wonen omdat ze de Hoeve niet meer konden onderhouden.

Thomas groeide voorspoedig op en na een aantal jaren keerde de bende terug naar Bladel. Toen ze hoorden dat Dirk ten Vorsel – van wie ze dachten dat hij dood was – de slag op zijn hoofd had overleefd en nog leefde, wilden ze hem uit de weg ruimen. Kaat bedacht een duivels plan; ze ging namelijk rondbazuinen dat Dirk zijn vrouw mishandelde en opsloot en zijn zoon Floris het huis uit had gejaagd. Ze eiste een straf: hij moest ‘in de ploeg’. De dorpelingen gingen hierop in en Dirk ten Vorsel werd in de ploeg gezet. Door zweep- en stokslagen gedwongen, trok hij hem voort. Na een tijdje zakte hij in elkaar van vermoeidheid. Kaat sprong op hem toe en speelde overtuigend een gemeen spel. Ze riep dat de dorpelingen Dirk vermoord hadden. Het volk vluchtte in paniek. Niemand zag dat Kaat en haar bende achterbleven om Dirk te doden. Bruno gaf hem een genadeslag met zijn knuppel en Terus stootte zijn mes in de borst van de arme Dirk.

Maar… Thomas had zich de hele avond een beetje verdekt opgesteld en alles gezien! Hij wist waar Bruno en z’n maatjes toe in staat waren, maar hij had het nog nooit van zo dichtbij meegemaakt. Hij ging naar het lijk toe, pakte het mes en staarde peinzend voor zich uit. Hij voelde zich verdrietig en verraden. Zo werd hij door de veldwachter en zijn helpers gevonden en natuurlijk voor de dader aangezien. Hij werd opgesloten in de kerker onder het raadhuis.

In Hellenend hoorde Kaat wat er gebeurd was met Thomas. Ze wilde hem bevrijden, want anders zou hij de bende natuurlijk verraden! Zo gezegd, zo gedaan: Thomas werd bevrijd maar wilde niets meer met Kaat en haar trawanten te maken hebben. Kaat besloot uit angst hem te vermoorden. Hij werd door Terus in de borst geschoten en viel neer.

De bende vluchtte. Na een uur kwam Thomas bij en strompelde naar de kerk. Daar werd hij hevig bloedend gevonden. Hij werd geopereerd en verzorgd en knapte gelukkig weer wat op. Om verder te herstellen werd hij naar de Abdij van Postel gebracht…

De bende bedacht intussen een duivels plan voor een laatste grote slag. Ze zouden de abdij overvallen! Het was traditie dat de paters van Postel twee keer per jaar twee volle karren proviand aan de armen gaven. Kaat en Bruno wilden deze karren onderscheppen en leegroven. De karren zouden dan leeg in het dorp aankomen en de bevolking zou woedend naar de Abdij trekken. Van de verwarring die dan zou ontstaan zou de bende dan gebruikmaken om de Abdij binnen te gaan. Bruno wist in één van de torenkamers nog een kist met geld te staan.

Alles leek volgens plan te gaan, alleen had een eenzame ruiter de overval gezien en deze was snel naar de abdij gereden om de paters te waarschuwen. Hij bleek nog tien helpers te hebben. Deze reden met hem mee nadat ze in het dorp hadden vernomen dat het volk (opgehitst door Kaat en haar maatjes) op weg ging naar Postel.

De vreemdeling werd argwanend ontvangen in de abdij, maar al gauw bleek dat deze groep mannen het beste met de paters voorhad. De vreemdeling stelde zich voor: Floris ten Vorsel. De abt, Vader Colebrant, was verbaasd. Floris was toch immers op zee? Floris vertelde dat hij ontslag had genomen en was teruggekeerd naar de Kempen.

Iedereen was nog maar net van z’n verbazing bekomen of ze hoorden de menigte joelende mensen aankomen. De poort werd afgesloten, maar toch slaagden ze erin binnen te dringen. Een hevige strijd ontstond en de bende klom naar de torenkamer terwijl het volk op de binnenplaats vocht. In de torenkamer was het stikdonker, maar toen de bendeleden binnenkwamen staken de tien helpers van Floris tien toortsen aan. De bende schrok en er ontstond een wild gevecht. Floris werd door Terus in de schouder gestoken en viel. Toen Terus weer wilde toesteken ging de deur open en kwam Thomas binnen. Kaat krijste het uit van verbijstering. Thomas tilde Floris op en ging naar beneden, legde hem over zijn paard en vluchtte. De bende vocht en raakte zo gewond dat ze niet meer konden vluchten, behalve Zwarte Kaat.

De volgende ochtend kwam een inmiddels gewaarschuwd garnizoen soldaten naar de abdij. Ze arresteerden de bendeleden. Bruno, Terus, Quintje en Bortje werden voor al hun misdaden ter dood veroordeeld en de volgende ochtend opgehangen. Van Zwarte Kaat was op dat moment geen spoor te bekennen. Op Hellenend was zij in ieder geval niet!

Thomas had Floris naar de Hoeve Ten Vorsel gebracht waar zijn wonden konden genezen. Elizabeth was dolblij haar zoon Floris weer terug te hebben en was Thomas erg dankbaar. Hij mocht op de hoeve blijven zo lang hij maar wilden. Van het geld dat Floris op zee verdiend had werd de grote hoeve weer opgeknapt.

Thomas leerde op de Hoeve van pater Bernardus (die hem vroeger gedoopt had) lezen en schrijven. Hij zag dat de pater met een medaillon zat te spelen en kreeg het verhaal van de beruchte Driekoningennacht te horen.

Hij griezelde van overvallen omdat zijn ‘ouders’ Kaat en Bruno ook overvallers waren en hij schaamde zich voor hen. Hij had nog nooit iemand verteld dat zij zijn ouders waren. Thomas was bang dat als hij dat deed hij dan niet meer op de Hoeve zou ogen blijven.

Op een dag liepen Thomas, pater Bernardus, Floris en Elizabeth door de prachtig opgeknapte tuin. Op een grasveld gingen ze uitgebreid picknicken. Toen Thomas daar zat werd het hem allemaal teveel. Hij barstte in snikken uit en vertelde alles; hij verdiende het niet om daar te zijn! Hierna bleef het even doodstil, iedereen was geschokt.

Plotseling klonk er luid gekrijs en sprong er een oud, vies, lelijk wijf in een zwarte mantel uit de bosjes: Zwarte Kaat! Ze schreeuwde dat Thomas helemaal niet haar zoon was en dat ze hem als baby ontvoerd had uit de hoeve. Ze gooide de andere helft van het medaillon tussen het groepje als bewijs dat ze niet loog! Ze gilde dat Thomas de bende geluk had moeten brengen, maar in plaats daarvan was er alleen maar kommer en kwel geweest. Ze sprong naar voren en trok een mes om Thomas aan te vallen. Floris greep in en dook op Kaat af zodat het mes viel en Kaat in de greppel belandde. Ze krabbelde overeind en vluchtte de bossen in.

Op de Hoeve was het die avond groot feest omdat de dood gewaande Thomas terug was. Hij zou voortaan Dirk heten, naar zijn vader genoemd.

Kaat werd de volgende dag na een lange zoektocht gevonden en gevangen genomen. Voor alles wat ze de mensen had aangedaan werd ze ter dood veroordeeld en de volgende ochtend al werd ze op het schavot onthoofd. Omdat haar lichaam niet in gewijde grond – in het dorp – begraven mocht worden, werd ze een eind de hei opgesleept en daar begraven. Omdat er op haar graf ook geen kruis mocht komen is er ter herkenning een heester op geplant. Omdat deze heester nooit normaal heeft kunnen groeien is deze nu uitgegroeid tot een boom die iedereen op Ten Vorsel en in de wijde omgeving nog steeds kent als de Heksenboom.

7. De Wandelende Doden

Jaren geleden, gingen wij op vakantie met ons gezin en we huurden een klein oud houten huisje, diep in een afgelegen bos. Op de begane grond waren de keuken, woonkamer en een badkamer. De slaapkamers waren op de tweede verdieping, maar er was ook nog een kelder die gebruikt werd voor opslag. Daar gingen we alleen niet graag naar toe, want het was er donker en muf en er hing een typische, indringende geur!

Op de eerste avond, werden we allemaal gewekt door een verschrikkelijke schreeuw die kwam uit mijn zusjes slaapkamer. Toen mijn vader haar kamer binnenstormde en het licht aan deed, vond hij haar rechtop in bed, schreeuwend en huilend. Mijn ouders gingen bij haar zitten en troostten haar tot ze eindelijk gekalmeerd genoeg was om hen te vertellen wat haar had bang gemaakt.

Ze zei dat ze in het midden van de nacht wakker werd door een verschrikkelijke stank. Toen ze haar ogen opende, had ze de hele slaapkamer gedrenkt in het bloed van boven naar beneden gezien. Er was bloed op de vloer, bloederige handafdrukken op de muren en bloedspatten over het plafond.

We dachten allemaal dat ze maar een nachtmerrie had gehad, maar ze weigerde om terug naar haar slaapkamer te gaan en wilde alleen nog maar bij mijn ouders op de slaapkamer slapen.

Op een avond, mijn moeder was eten aan het koken in de keuken en mijn vader was een boodschap aan het doen in een nabijgelegen stad, waren mijn zus en ik ons aan het vervelen en wisten we niet goed wat we moesten doen. Ik had het plan om eens in de kelderruimte te kijken om te zien of we daar iets konden vinden om te doen. De kelder rook muf en er was maar weinig licht. Direct bekroop ons een angstaanjagend gevoel en onze ademhaling ging ongemerkt steeds sneller. Toch bleven we doorlopen in de hoop iets leuks te vinden.

In een verre uithoek van de kelder zagen we iets staan, maar wat het was konden we niet goed zien, omdat er een vieze oude deken overheen lag. We liepen er naar toe en tilden de deken op. We zagen een oude kist staan met een groot en zwaar hangslot. Het vreemde was dat er op de kist stond: ‘Niet openmaken, heb respect voor de doden’. Nieuwsgierig als we waren wilden we natuurlijk weten wat er in deze kist zat, want we dachten dat die tekst puur als grap was bedoeld. Omdat we helaas geen sleutel zagen van het hangslot, gingen we die avond maar terug naar onze ouders, maar moesten steeds denken aan die vreemde kist in de kelder.

Die nacht droomde ik heel vreemd en werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik achterna werd gezeten door allerlei vreemde monsters in het bos die mij wilden opeten. Ik vertelde het aan mijn ouders, maar die zeiden dat ik alleen maar een nachtmerrie had gehad.

Mijn zusje en ik wilden perse die oude kist in de kelder openen om te zien wat er in zat. Gelukkig vonden we in een schuur bij ons huisje een grote tang, waarvan we hoopten dat deze het slot kapot kon maken. We vertelden onze ouders natuurlijk niet waar we mee bezig waren en wachten tot de avond was ingevallen en zij met elkaar tv zaten te kijken.

Opnieuw liepen we naar de kelder en eenmaal aangekomen bij de kist, probeerden we met de tang het slot kapot te knippen. Dit was best lastig, want het slot was sterk, maar na een paar pogingen lukte het ons het slot open te krijgen. Nu zouden we zien wat er toch in deze kist zat, wat we blijkbaar niet mochten zien. Het deksel van de kist was blijkbaar in jaren niet geopend, want het maakte een naar piepend, bijna schreeuwend geluid. We wilden al bijna de kist weer dicht doen, maar onze nieuwsgierigheid won het. Toen we met de zaklamp in de kist schenen zagen we een ouderwetse cassettebandrecorder.

Onze ouders hadden ons ooit wel eens verteld dat ze dit vroeger gebruikten om muziek op te luisteren en af te spelen. Er lag ook een boek met een rare naam met allemaal vreemde tekens op de omslag. We konden het boek niet lezen, omdat het in een andere taal was geschreven, maar aan de plaatjes te zien was het geen vrolijk boek. Er stonden afbeeldingen in van wat leek dode mensen, maar het vreemde was dat deze wel rechtop stonden en liepen.

Het boek lieten we liggen, en we pakten de cassettebandrecorder. Mijn zusje en ik keken elkaar aan en zonder iets te zeggen knikten we tegen elkaar en drukten op de ‘play’ toets.

Krakend begon het apparaat te draaien en eerst hoorden we niets, alleen een hele vage ruis op de achtergrond. We wilden hem al weer uit zetten, tot er ineens een zware donkere stem begon te spreken. “Wie waagt het en heeft het lef gehad om mij op te roepen? O, wee diegene die nu zitten te luisteren. Jullie zijn gedoemd voor altijd en eeuwig. Jullie worden veranderd in zombies en daarna zullen jullie worden toegevoegd aan mijn leger van wandelende doden, net als diegene die zich ook bij jullie in dit huisje bevinden! Alleen in de ronde cirkel ben je veilig.”

Geschrokken door deze tekst, drukten we gauw het bandje uit en we keken elkaar allebei verschrikt aan. Dit was vast een grapje, niet echt, probeerden we onszelf gerust te stellen. Een hele lugubere grap. Dat kon toch helemaal niet? We deden snel de kist dicht en renden gauw naar boven. Het was inmiddels heel donker geworden en we zagen niet veel, omdat de meeste lampen uit waren. We riepen onze ouders, maar kregen geen gehoor. Waar waren ze toch? Het hele huis liepen we door, tot we ineens bij de achterdeur in de keuken een schrapend geluid hoorden.

Geschrokken liepen we er naar toe om te kijken en wat we toen zagen deed ons verstijven van angst. Onze ouders waren onze ouders niet meer. Ze waren helemaal verminkt, met allemaal bijtsporen en ze zaten onder het bloed. Hun ogen waren helemaal wit en weggedraaid. Toen ze ons zagen, bewogen ze met een langzame schuifelende pas op ons aan. Ze konden niet praten en er kwam alleen maar rochelende geluiden uit hun mond. Ze waren veranderd in zombies! Ze reikten met hun handen naar ons alsof ze ons wilden pakken. We bleven niet wachten op wat er ging gebeuren en renden snel via de voordeur naar buiten.

Eenmaal buiten aangekomen zagen we tot onze grote schrik een heleboel zombies die op ons al liepen. Gelukkig waren zij niet zo snel en konden we hen ontwijken in onze vlucht naar de veiligheid. Rennend en om ons heen kijkend liepen we steeds verder het bos in. Huilend en niet wetende wat we moesten doen, stopten we heel even om op adem te komen. We herinnerden ons de tekst van het cassettebandje, waarin werd gezegd dat we alleen veilig waren in de cirkel. Dat was dus ons doel. Op zoek gaan naar die cirkel, zodat we uit de handen bleven van de zombies en zelf niet zouden veranderen in wandelende doden!

Doordat jullie dit verhaal hebben gehoord, weten jullie dat wij het overleeft hebben. Nu laten we jullie gaan op jullie weg terug naar jullie huisje in het bos. Om de weg te kunnen vinden moeten jullie de lampjes of overige aanwijzingen volgen. Wij hopen dat jullie geen zombies of andere rare wezens tegenkomen, maar beloven kunnen we het niet. Maar onthoud, dat als jullie de cirkel zien, jullie daar veilig zijn. Succes en pas goed op elkaar!

8. Van een Ridder die de Ziel van zijn Vrouw Verkocht

Er was eens een ridder die zeer rijk en machtig was geweest, maar die door een ruig en onbezonnen leven zijn hele bezit had verkwanseld en diep in de schulden was geraakt. Toch kwam hij niet tot inkeer, en hij beterde zijn leven niet. Zo kwam de dag dichterbij waarop ieder jaar een groot feest werd gevierd. Dan kwamen alle ridders uit de omgeving met hun vrouwen en schildknapen samen. Ze spreidden veel pracht en praal ten toon en waren royaal in het uitdelen van rijke geschenken aan elkaar.

De ridder zou daar deze keer niet aan mee kunnen doen, zijn rijke gewaden en kostbare uitrustingen had hij al moeten verkopen, en hij had zelfs geen eigen paard meer. Hij bezat niets dat hij als geschenk uit zou kunnen delen. Hij schaamde zich diep, want nu zou iedereen te weten komen dat hij arm was. Hij ging dus niet naar het feest, maar zocht de eenzaamheid op. Hij was kwaad op zichzelf, omdat hij niet zuiniger was geweest en niet beter op zijn rijkdommen had gepast. Terwijl hij daar zo in zijn eentje liep, kwam de duivel hem tegemoet gereden. “Waarom ben je zo droevig?” vroeg de duivel hem. “En moet je niet naar het feest?”

De ridder vertelde hoe het er met hem voor stond. “Tja,” zei de duivel met een vals lachje, “daar zit je lelijk in de problemen. Maar ik zou er misschien wel wat aan kunnen doen.”

Nieuwe hoop deed de ogen van de ridder fonkelen. “Wat aan kunnen doen?” vroeg hij indringend. “Wat dan, wat?” – “Tuttut,” lachte de duivel, “niet zo haastig! Ik zou je misschien wel weer net zo rijk kunnen maken als je bent geweest en je misschien ook wel weer net zoveel plezier kunnen bezorgen als je vroeger gehad hebt. Maar je weet best, ridder, met wie je te doen hebt, en ik waarschuw je: voor wat hoort wat!” – “Voor wat hoort wat,” mompelde de ridder en hij keek de man op het paard tersluiks nog eens goed aan. Het was de man met de bokkenpoot.

Daar had hij liever niet mee te doen, maar zijn begeerte naar het herstel van zijn vroegere welstand was hem te machtig.
“Wat wilt u dan van mij?” vroeg hij.
“Alleen je ziel maar,” lachte de duivel weer. “Nu, dat is niet zo erg, want die ben je toch al haast kwijt!” Er ging een schok door de ridder.
“Mijn ziel geef ik toch niet graag,” zei hij. De duivel keek hem strak aan.
“Dus je blijft liever in deze armoede leven?” vroeg hij. “Ja, dan moet je het zelf maar weten. Dan ga ik maar weer.”
Hij deed net of hij weg wou rijden, maar plotseling hield hij zijn paard weer in. “Ik weet er misschien wat anders op,” zei hij. “Beloof me de ziel van je vrouw en je krijgt alles van me wat ik heb gezegd. En ik hoef haar nog niet eens meteen te hebben. Vijftien jaar mag je er nog mee wachten. Dan kunnen jullie nog vijftien jaar samen van je rijkdommen genieten.”

De ridder had er niet veel zin in. Maar zijn begeerte was sterker. “Vooruit dan maar,” zei hij tenslotte.

“Wat je gelijk hebt!” lachte de duivel. Toen schreven ze de afspraak op en de ridder ondertekende die met zijn bloed. “Zo,” zei de duivel, “ga nu maar naar huis, dan zul je daar een grote schat aan goud en zilver en kostbare stenen vinden. Daar heb je je hele leven genoeg aan. Maar denk erom dat je me over vijftien jaar je vrouw brengt. Hier, op deze zelfde plaats!” De ridder beloofde het en snelde naar huis toe.

Hij trof alles aan zoals de duivel het had gezegd: goud, zilver en edelstenen. Hij was weer een rijk man. Hij loste al zijn schulden af en hij bezat weldra weer al zijn land en zijn goederen.

Hij huurde nieuwe knechts, nieuwe dienstboden kwamen het kasteel binnen en samen met zijn schildknapen ging hij weer regelmatig op jacht. Het lieve leventje van vroeger begon opnieuw.

Zo vlogen de vijftien jaren voorbij, en de dag kwam waarop hij zijn vrouw aan de duivel uitleveren moest. De avond tevoren zei hij tegen haar: “Vrouw, we moeten morgen samen op reis. Maak alles klaar voor een lange tocht. We vertrekken in alle vroegte.”

Nu had de ridder een zeer fatsoenlijke en gelovige vrouw. Ze leefde er niet op los, zoals haar man. Ze leefde deugdzaam en diende God en de Maagd Maria trouw. Ze schrok toen de ridder met haar over die reis begon. Hij nam haar anders nooit op zijn reizen mee. Waarom dan nu ineens wel? Een angstig voorgevoel bekroop haar. Ze bad die avond lang en vurig tot Maria, dat deze haar beschermen zou op die vreemde tocht. Pas tegen middernacht zocht ze haar bed op. Ze vertrokken de volgende morgen bij het aanbreken van de dag. Ze reden lang en ver. De ridder was zeer zwijgzaam. Er lag een vreemd licht in het bos. De bladeren ritselden onheilspellend. De vrouw had sterk het gevoel dat er iets verkeerds met haar gebeuren ging.

Midden in het bos, onder de sombere bomen stond een helderwit bidkappelletje op de weg. De vrouw hield haar paard in. “Laat mij hier even afstijgen en bidden,” verzocht ze de ridder. Deze knikte, al was het tegen zijn zin, en hij hield zijn paard in. Hij keek haar na, ontevreden over deze onderbreking. In de kapel viel de edelvrouwe voor het beeld van Maria op de knieën en gaf zich over aan gebed. “Wees gegroet Maria…” Evenals de vorige avond was haar bidden lang en vurig. Maar ze was moe. De nacht was zo kort geweest. Haar oogleden werden zwaar, en tenslotte viel ze in slaap. In haar slaap murmelden nog haar lippen: “Ave Maria…”

Haar lippen bewogen wel, maar haar ogen zagen niets. Ze zagen het wonder niet dat plaatsgreep: de lieve Moeder Gods kwam van haar plaats af. Haar lichaam en haar gewaad hadden de vorm en de kleur van die van de edelvrouwe aangenomen. Zo doorschreed ze de kleine ruimte en opende de deur…

Buiten wachtte de ridder. Zijn blik was donker en hij mopperde in zichzelf. Te lang bleef zijn vrouw daarbinnen. Hij wilde op tijd zijn, want hij hield de duivel liever te vriend. Het kon hem niet snel genoeg voorbij zijn. Eindelijk ging de deur van de kapel open en hij zag hoe zijn vrouw naar buiten kwam.

Meteen sprong hij op zijn paard en gaf het de sporen. “Nu maar vlug verder!” riep hij. Hij hoorde de hoefslag van beide paarden, maar hij wist niet wie achter hem reed, en hij wist niet dat zijn vrouw nog in de kapel lag te slapen.

Zo kwamen ze op de afgesproken plaats aan. “Hier stijgen we af’, zei de ridder.

Ze hoefden maar even te wachten. Er naderde een groot geruis door de bomen, net alsof er een stormwind door de kruinen joeg. Toen daalde de duivel krijsend neer. Vuur spatte zijn ogen uit. “Valse ridder!” kreet hij. “Waarom heb je mij bedrogen?!” – “Bedrogen? Heb ik je bedrogen? Ik breng hier toch mijn vrouw.”
De duivel bleef op een afstand. Hij wrong zich in allerlei bochten. Zijn gezicht was vreselijk om aan te zien.

“Jij, jij!” schreeuwde hij. “Jij jouw vrouw meebrengen? Denk je mij voor de gek te kunnen houden? Denk je dat ik niet weet wie je daar bij je hebt? Denk je dat ik niet weet dat je mij de vrouw brengt die mij altijd overwint, de vrouw waar ik niet tegenop kan? Valsaard! Beloftebreker! Aah!” Toen de ridder de woorden van de duivel hoorde, viel hij bijna flauw van angst.

Maria zei tegen de duivel: “Boze geest, waarom vervolgt u mijn dienares, waarom vervolgt u de vrouw die mij altijd trouw was? Ik beveel u: ga terug naar de plaats waar u thuis hoort, en raak haar die mij zo oprecht en trouw dient met geen vinger aan.”

De duivel ging er met een hels kabaal vandoor. Er ging een siddering door het bos, en de hemel werd verduisterd. Maar in de duisternis straalde een heilige cirkel rondom Maria. De ridder viel aan haar voeten en smeekte haar om genade. Maria keek ernstig op hem neer en sprak tegen hem over zijn ijdelheid en ongebonden leven.

“Vriend,” zei ze, “keer terug op de goede weg. Je hebt nu lang genoeg gedwaald. Neem afstand van alle rijkdom en goederen die je door de macht van de duivel hebt verkregen. Beter je leven!”

Haar stem klonk als bovenaardse muziek, haar glimlach was van de hemel. Moeizaam stond de ridder op. Toen hij om zich heen keek, was Maria al verdwenen. Als in een droom besteeg hij zijn paard en reed de weg terug die hij gekomen was. In de kapel trof hij zijn vrouw aan, nog steeds slapend. Zij lachte tegen hem, toen hij haar wekte. “Ik heb zo’n mooie droom gehad,” zei ze. “Nu rijd ik met je, waarheen je maar wilt.” Ze keek blij en helder uit haar ogen. “Vrouwe,” zei hij, “we gaan naar huis.”

En hij vertelde haar alles wat er gebeurd was. Hij opende zijn hart en verborg niets van zijn eigen grote schuld. Zij verheugde zich over zijn berouw en samen loofden ze God en dankten ze Maria. Daarna reden ze naar huis.

Ze deden zoals Maria had gezegd. Al het geld en goed dat met de hulp van de duivel was verkregen, gaven ze weg. Voortaan dienden ze God en Maria samen, met een zuiver hart, levend in eerlijkheid en eenvoud. En ze waren gelukkig.

9. De Witte Juffer van Hoog Soeren

Rechts aan de grindweg van Hoog Soeren naar Apeldoorn, tegenover de plaats waar de weg van het Kruisjesdal (de Soerenseweg) op die grindweg uitkomt, staat aan de voet van de heuvel een reusachtige beuk, die meestal de Jufferboom of de Spinboom genoemd wordt. Daar huist de witte juffer van Hoog Soeren.

Sinds onheuglijke tijd staat die boom daar al. En lang geleden moet de witte juffer van Soeren er ook al geweest zijn, want meer dan één inwoner van Soeren weet iets te vertellen van de Jufferboom. In die boom, zó hol dat er wel een man rechtop in kan staan, is van onderen een grote opening. Als men ’s nachts in het bos komt, kan men daar een lichtje zien branden en hoort men de juffer in de boom spinnen. Ook ziet men in de omtrek wel een zwarte hond met vurige ogen ronddolen of hoort men in de boom kloppen.

Op een zaterdagavond, het loon was uitbetaald, ging een arbeider van Soeren naar Apeldoorn om winkelwaar te halen. In Soeren was toen nog geen enkele winkel, en men ging bij voorkeur in de avond naar Apeldoorn om zijn inkopen te doen, men miste daar overdag de tijd voor. De arbeider hield zich wat langer in Apeldoorn op dan zijn plan was, hij bleef er wat plakken in een herberg en toen het gesprek daar over de witte juffer van Soeren ging, liet hij zich op zeer ongepaste wijze snoeverig over haar uit. Het zou hem duur te staan komen.

Het was al middernacht toen hij op weg ging naar huis, waar zijn vrouw al urenlang op hem zat te wachten. De Soerenseweg was donker, heel donker, zoals het er nog wel zijn kan in sterreloze nachten, en men alleen aan de lichtstreep boven tussen de boomtoppen de richting van de weg kan houden.

Hij stapte een uur lang stevig door en hoorde geen ander geluid dan zijn eigen stappen. Dicht bij de Jufferboom gekomen, zag hij eerst de zwarte hond, met ogen als lichtende vuurbollen, geluidloos in het bos verdwijnen. Plotseling voelde hij een paar geduchte klappen om zijn oren. Hij zag niets, hij hoorde niets, tastte met zijn stevige knuisten om zich heen, maar greep in het ledige, terwijl hij intussen zo’n geweldig pak rammel kreeg dat hij over de weg voortduizelde. Geheel ontdaan en bleek als een dode kwam hij eindelijk thuis, waar zijn vrouw bij de laatste gloeiing van de haard in de grootste angst op hem zat te wachten.

Op een keer gebeurde het dat een paar kinderen bij de boom aan het spelen waren, en een meisje haar hoofd in de opening stak, roepende: “Witte juffer, spin je nog altijd?” Toen ze haar hoofd terug wilde trekken om hard weg te lopen kon ze er niet meer uitkomen. De juffer hield haar bij de haren vast. Het kind schreeuwde en jammerde dat het verschrikkelijk was om aan te horen. Toen ze eindelijk bevrijd werd, kwam ze tevoorschijn met een gezicht vol schrammen en blauwe plekken. De juffer had haar duchtig gestraft voor haar oneerbiedige overmoed. Toch was de spinvrouw geen boze of kwaadaardige geest. Ze liet alleen niet met zich spotten. Brave, oppassende mensen was ze zeer goed gezind.

Op een kleine hoeve in Soeren woonde een oude vrouw met haar twee zonen en een dochter. Het was een slecht jaar geweest. Hoewel de beide zoons brave, ijverige mannen waren, was de oogst erg schraal uitgevallen. Het was een dure tijd. Het najaar kwam met zijn gure vlagen en het oude moedertje werd ernstig ziek. Eerst hadden ze zelf met huismiddeltjes gedokterd, maar het was er niet beter op geworden. De dokter werd gehaald, deze kwam elke dag terug en schreef dure recepten voor.

Nog vóór de winter kwam was het gezin heel wat geld kwijt, zodat op een dag de beide zoons en de dochter samen beraadslaagden wat ze doen konden om hun oud moedertje te kunnen behouden. Zij besloten het kalf naar de markt in Apeldoorn te brengen om op die wijze aan wat geld te komen.

De volgende dag gingen de beide jonge mannen met de koe op weg. Toen ze voorbij de Jufferboom kwamen, hoorden ze de vrouw spinnen. De beide mannen zagen elkaar aan en de een sprak tot de ander: “Hoor je de juffer spinnen?” – “Ja,” antwoordde de ander. “Ik hoor het ook en ik wil maar wensen dat het een goed voorteken is.” Daarna liepen zij weer zwijgend door. Op de markt maakten ze een buitengewoon hoge prijs voor hun kalf.

Ze kochten wat versnaperingen voor moeder en moesten toen bij de apotheker heel lang wachten voordat de drank gereed was. Zo was het al donker geworden toen ze eindelijk huiswaarts keerden. Het was een mooie vredige avond en het bos lag in diepe, geheimvolle stilte. De stammen rezen ernstig en statig omhoog. Het was er plechtiger dan tussen de kostbaarste pilaren van een grote stille kathedraal. Van verre zagen ze al de schijn van het lampje in de Jufferboom. De grote ontroerende betovering van het heilige stille avondwoud hield hun zielen omvangen, toen ze bij de boom in eerbiedige groet als vanzelf de pet afnamen. Zij zagen de witte juffer bij de boom staan en beiden hoorden haar met zachte doch duidelijke stem zeggen:

Diep in het Heidens Gat
begraven ligt een schat,
Wie hem bij volle maan weet uit te spitten,
en daarbij zwijgen kan, zal hem bezitten.

Boven het bos stond de maan groot en indrukwekkend aan de wolkeloze hemel, als het reusachtige oog van de nacht. De heide strekte zich uit tot de verste horizon. De glooiende heuvelruggen regen zich aaneen als de golven van een donkere eindeloze zee. Heel in de verte tekenden de bossen van Hoog Buurlo zich als een eiland tegen de lucht af.

De grote volle maan, die bloedrood was opgekomen, verspreidde nu een zilveren licht over de heide. De beide broers gingen na een dag van stoere arbeid zwijgend naast elkaar voort, elk met een spade op de schouder. Twee zwarte raven vlogen een heel eind voor hen uit, en telkens was het of ze neerstreken, maar dan vlogen ze weer verder, tot ze eindelijk bij het Heidens Gat kwamen.

Hier vlogen de vogels enige keren in grote kringen rond en verdwenen daarna in de richting van ’s Greevenholt. Toen de beide broers in de diepe kuil afdaalden, wees een blauw licht de plaats aan waar de schat begraven lag, en een rilling beving hen. Zowel de een als de ander was wel geneigd om haastig naar huis terug te keren, maar ze wilden het voor elkaar niet weten en zo begonnen zij te graven.

Bij de eerste schop, die aarzelend in de grond gestoken werd, was de blauwe gloed plotseling verdwenen. Zij spitten lang en moeizaam. Om beurten groeven ze terwijl de ander rustte. Plots stootte de oudste op iets hards dat aan zijn schop weerstand bood. Bijna had hij zijn broer toegeroepen, toen hij zich nog net op tijd het gebod van zwijgen herinnerde. Om zijn broer de vondst mee te delen, stampte hij nu driemaal met de schop op het harde voorwerp, en bang dat zijn broer van vreugde opspringend opeens iets zeggen zou, legde hij meteen zijn vinger op de mond om hem aan het gebod te herinneren. Zwijgend werkten ze nu samen heel langzaam een loodzware kist naar boven.

Zij hadden haar met veel moeite bijna boven aan de rand van de kuil, toen de jongste het gewicht welhaast te zwaar werd en de kist weer naar beneden dreigde te vallen. Daar riep opeens de oudste: “Hou vaste,” en als bij toverslag verdween bij deze woorden de hele kist met al wat er in zat in de diepte. Hoe ze ook groeven, totdat de schemer aanbrak en naderhand nog menig keer, als het weer volle maan was, ze vonden nimmer een schijn of schaduw van de schat terug, die onherroepelijk in de diepte scheen verdwenen. Maar hun moeder werd spoedig daarna beter en leefde nog lang in hun midden. Hiermee stelden zij zich tevreden en beschouwden dit als de grote rijkdom, die ze toch gekregen hadden.

10. De Dolende Peelridder

Verreweg het grootste deel van de uitgestrekte Peelvlakte is vandaag de dag drooggelegd en ontgonnen. In een gebied waar je honderd jaar geleden kon gaan noch staan, omdat je bij één verkeerde stap weg zou zinken in het verraderlijke moeras, liggen nu lieflijke dorpen door bloeiende velden en akkers omgeven.

’t Was vroeger een vreemd, angstaanjagend gebied. In het vlakke zwarte land stonden overal roerloze plassen, omringd door wit wuivend wollegras en riet. Het kon er zo stil zijn dat je de vleugelslag kon horen van de overvliegende grote moerasvogels.

Een eindje verder, waar de heuvels tot diep in het veen doordrongen, stonden rond de oude schaapskooien oude, door de wind gebogen dennen, maar een huis, waar mensen en dieren woonden, was in de verste verte niet te bekennen.

Alleen aan het uiterste randje, waar de langzaam glooiende heide doodliep in het drassige moerasland, waagden zich de boeren van de dorpen uit de buurt om turf te steken die later met een hotsende boerenkar over de hobbelige hei naar het dorp werden gebracht.

’t Was een geheimzinnig landschap en er gebeurden geheimzinnige dingen. Soms klonken er stemmen alsof er vlak naast je een gesprek werd gevoerd, maar als je dan om je heen keek, was er niemand te zien, want de mensen die je hoorde praten, liepen in werkelijkheid uren van je vandaan, in een heel ander deel van het gebied.

Vooral in de zomer kon je er worden verrast door luchtspiegelingen. Dan verschenen er aan de horizon bijvoorbeeld onverwacht een herder met zijn kudde schapen of en jager met zijn hond, die langzaam dichterbij kwamen. Na een korte tijd was dat allemaal weer even plotseling verdwenen als het gekomen was; het beeld loste als het ware op in de hete lucht die rusteloos over de verlaten vlakte danste.

De smalle paden die kris kras door dit land liepen, groeiden vaak dicht als ze een tijdje niet werden gebruikt en ze in de warreling van de braambossen en struiken kon je ze niet meer terugvinden. Alleen zij die van jongs af in de Peel hadden gejaagd, wisten de weg. Aan een bijna onmerkbaar kleurverschil van de bodem aan de druk onder hun voorzichtig neergezette voetzool, wisten ze hoe ze zich moesten bewegen over de broze grond, door nu eens links en dan weer rechts te stappen, terwijl aan beide kanten het slijkerige vocht van het verraderlijke moeras opbolde.

Wie over de verlaten vlakte rondzwierf met het geweer in de hand, hetzij om te jagen, hetzij om te om te stropen, had er vaak vreemd ontmoetingen. Zo kon het in de Venraaise Peel gebeuren dat er vlak voor je voeten een groot hert met breed vertakt gewei opsprong, maar voor je dan aan kon leggen en het om kon leggen, was het spookhert alweer in de morgenmist verdwenen.

Soms zag je in de verte een smeulend vuur en dan rook je al op afstand de doordringende geur van brandende schapenhoeven. Dan woei de wind uit de richting van het onpeilbaar diepe Soemeer, dat juist op de grens van Brabant en Limburg lag. Daar was de ingang van de hel, zei men, want waar kon de duivel zich beter thuis voelen dan in de Peel?

Niemand peinsde er dan ook aan om naar het meer te gaan, hoewel het goed te bereiken was als je de weg kende, want men geloofde dat de grootmoeder van de duivel zojuist de doordeweekse kleren van haar kleinzoon in het meer gewassen had en ze nu te drogen had gehangen boven een vuur dat ze op de heuvels had gestookt van schapenhoeven om er een frisse geur aan te geven. Daarom was het water van het Soemeer zo intens zwart.

In de kerstnacht luidde daar in de diepte de gezonken klok, die men eeuwen geleden via Deurne langs de ongebaande Peelwegen naar Sevenum had willen brengen. Het was slecht afgelopen met degenen die de klok vervoerden. De weg was lang en de dag kort, het liep tegen kerstmis en zo kwam pas tegen middernacht de Grootenberg in zicht, die op de grens van Limburg en Brabant ligt…

Opeens zonk een karwiel in een kuil die de heksen, die in sommige winternachten hun sabbat op de Grootenberg vierden, gegraven hadden. In de dennen rond de schaapskooi op de berg loerden de heksen naar het verongelukte span: zij zagen hoe een paar mannen naar Sevenum trokken om een andere wagen te halen en hoe er twee kerels achterbleven om de klok en de kar met het gebroken wiel te bewaken.

De heksen grepen hun kans en kwamen te voorschijn toen de twee in slaap sukkelden bij de wagen. Ze trokken de kar met klok en bewakers en al over de Peelvlakte en ze stortten het hele boeltje in het pikzwarte water van het Soemeer. Niemand heeft er nooit naar durven zoeken, maar elk jaar in de kerstnacht luidt de verdronken klok in het meer; dat hebben al vele stropers en boeren gehoord.

Als het heel stil weer was, drong het klokgelui zelfs door tot in het dorp. Dat was een teken dat er geheimzinnige dingen stonden te gebeuren. Wanneer de roerdomp zijn sombere roep liet horen, dansten er dwaallichten over de Peelvlakte. Nu en dan zweefden ze van de moerassen naar het hoger gelegen land, en keerden dan weer terug. Wie de lichtjes zag, raakte in hun ban en wilde ze volgen. Wie ze achterna ging, verdwaalde onherroepelijk in het zwarte land, en kwam nooit meer terug.

In stormachtige nachten, als gure regenvlagen over de vlakte gierden. Kon je er het eentonige klagelijke huilen horen van de herdershond die er ronddoolde sinds zijn meester op een najaarsnacht met de kudde verdwaalde en voor eeuwig in het veen verzonk.

Dan kon je op de kronkelende weg van Meijel naar Sevenum ook de noodkreet van de dolende ridder horen, die weergalmde over de vlakte. Wanneer je op dat geluid afging, dan klonk de roep steeds verder weg, en voor je het wist had je de eerste stappen gezet in de Dolle Moer, waar de grond onder je voeten wegzakte, het veen zich vastzoog rond je enkels en waar je langzaam maar zeker naar de diepte werd getrokken, tot het zwarte veenland zich weer boven je hoofd sloot. “De dolende ridder heeft niet voor niets geroepen,” zeiden de dorpelingen dan tot elkaar, “er komt geen einde aan zijn wraak.”

Eeuwen geleden is hij van de Maaskant met zijn mannen langs deze weg gekomen on de dorpen op het Brabantse zand in de nacht te plunderen, maar er werd op tijd alarm geslagen. Van alle kanten kwamen de boeren aangesneld, gewapend met zeisen, met dorsvlegels en turfschoppen. Tegen zo’n fanatiek vechtende overmacht was de roofridder niet opgewassen. Hij wilde naar het oosten vluchten, maar nog voor zijn mannen de Peelvlakte hadden bereikt, waren ze al ingehaald en afgemaakt door de woedende boeren. Alleen de goed bewapende ridder met zijn gouden sabel en zijn schildknaap bleven op hun sterke paarden de achtervolgers voor. In het donker raakten ze echter het spoor kwijt en ze reden in volle vaart over de weg die rechtstreeks naar het Dolle Moer leidde.

Nooit zijn ze aan de overkant gekomen en met alles wat zij bij elkaar geroofd hadden, verzonken ze in de diepte.

Ooit, zo zei men, zal de hebzuchtige ridder met zijn gouden sabel gevonden worden. Dan zal de weg van Meijel naar Sevenum weer veilig zijn, want dan zal het Dolle Moer zijn uitgedroogd en begroeid en kerktorens zullen in de Peel verrijzen.

En jawel, de dolende ridder is gevonden door een turfgraver, in het diepveen, dicht bij de oeroude weg. Zijn verguld zilveren helm, zijn leerwerk van zijn schoenen en verschillende munten die hij bij zich droeg, kun je vandaag in het museum van Leiden bewonderen, maar de gouden sabel is nooit meer teruggevonden.

Bron van de verhalen: https://www.beleven.org/

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *